De Landgeit
Het zijn middelgrote, stevige dieren met vrij korte poten. De kleur is
overwegend bont, d.w.z. wit met vlekken in de kleuren zwart, blauw of bruin
of een menging daar-van. Ook komen witte, zwarte en beige dieren voor. De
bokken van dit ras vallen op door hun monumentale horens, welke zich eerst
naar achteren en dan zijdelings waaiervormig krommen, de punten enigszins
naar boven gericht. De bokken hebben meestal een bokkenpruik, die vooral bij
jonge dieren goed uitkomt, een wipneus, sik en een zwaar behaarde voorhand,
terwijl de lichaamsbeharing afhangend en vrij lang is. De geiten zijn
eveneens gehoornd, maar veel minder opvallend dan de bokken. De vrij korte
horens buigen recht naar achteren. Zij hebben een vrij korte kop met een wat
ingebogen profiel en een sikje. Hun beharing is meestal kort De Nederlandse
landgeit heeft op het punt gestaan volledig te verdwijnen. Dat dit onheil
niet is geschied, is te danken aan het werk van Dr. van Bemmel, die in 1958
het allerlaatste paar geiten, afkomstig uit het Goois Natuurreservaat, naar
Diergaarde Blijdorp heeft gebracht en daaruit een kleine fokgroep heeft
opgebouwd. Over het wel en wee van deze fokgroep en haar nakomelingen zal
aan het eind van dit artikel meer informatie volgen.
De Beharing.
De beharing is grof en dicht ingeplant. De geiten kunnen zowel ruig
kortharig als ruig langharig zijn waarbij het haar bij de langharige geiten
op rug en dijen sterk aanwezig is. De bokken hebben grof lang haar dat
gelijkmatig over het gehele lichaam verdeeld. De beharing van de kop is
stug, er is een sik en er bevindt zich een haartoef op het voorhoofd die
vooral zichtbaar is bij de bokken. Zowel geiten als bokken kunnen
neusbaarden hebben. Alle kleuren en aftekeningen zijn toegestaan met
uitzondering van de
Toggenburgeraftekening. De Nederlandse Landgeit heeft in vergelijking met
melkgeitenrassen een dikkere en stuggere huid.